Cirkels

 

I en S G d N

 

Twee mannen staan aan de tafel in het midden van het rijtuig. Ze dragen lange, elegante jassen en zien eruit als vrienden van mijn vader. Mannen met invloed. Mannen met geld.

Zo nu en dan, wanneer de trein wat minder bonkt, vang ik een zin op van de kleinste. Hij praat als een beroemde acteur op wiens naam ik niet kan komen. Die klinkt precies als deze man, vooral in die ene film waarin hij exact zo’n man speelt.

Ik ben wat duizelig vanavond.

De man zegt: ‘Ik zie niemand meer van de middelbare school.’

We zijn er bijna. Ik neem de mandjes met chocolade, wafels, nootjes en chips van de bar, doe de chips en de nootjes in een doos en in een andere doos de chocolade en de wafels. Zout bij zout en zoet bij zoet.

Orde.

Mijn vader zei laatst: ‘Het wordt tijd dat je bedenkt hoe een vruchtbare toekomst er voor jou uit zou zien. Waar ben je en wat doe je als je, laten we zeggen, dertig bent? De tijd van grote avonturen is voorbij, mijn lieve knul. Das war einmal.’

Zo praat mijn vader.

Pierre, en dan nog wat. De naam van die acteur. Zijn voornaam is Pierre.     

‘Ik heb zelfs Steffie nooit meer gezien,’ zegt Pierre.

Hij verkondigt het alsof hij er de laatste tijd dagelijks aan denkt. Zelfs Steffie nooit meer gezien! Toch is dat minstens veertig jaar geleden, die middelbareschooltijd van hem.

Aan het eind van de middag stond een jongen aan mijn bar die geen geld had, maar wel dorst. Zijn gezicht was mager op die typische manier van zenuwlijers: huid strak om de schedel, niet direct een ongezonde kleur, hoogstens wat rode vlekken hier en daar. Ik gaf hem een beker kraanwater. Hij dronk de beker leeg, zette hem op de vloer en begon er rondjes omheen te lopen.

De gesprekspartner van Pierre heeft een kaal hoofd en vierkante kaken. Ook hij praat nu. Hij zegt dat hij zijn dochter heeft voorgesteld het tuinhuis te verbouwen, zodat ze vaker langs konden komen met zijn drietjes. Ze ging er niet op in.

Pierre knikt. ‘Maar de vriendschappen van de vereniging zijn voor het leven,’ zegt hij. ‘Virtus concordia fides. Dat is toch mooi?’

Een fijne non sequitur van Pierre. Geen retorische vraag, geloof ik: hij overweegt de mogelijkheid dat ze helemaal niet zo mooi zijn, die levenslange vriendschappen van de vereniging. Misschien zou hij liever nog één keer Steffie zien dan tot aan zijn dood al die mannen van de vereniging.

Ik zag het een tijdje aan en zei toen tegen de jongen: ‘Hou daar nu maar mee op. Zo kan niemand bij de bar.’

Hij bleef rondjes lopen om de beker. Bij zulk gedrag moet ik eigenlijk de beveiliging bellen, maar ik vroeg: ‘Wil je nog een glaasje water?’

Rond en rond ging hij.

Voordat ik de machine uitzet, moet ik zeker weten dat niemand meer koffie wil. Anders kan ik halverwege weer opnieuw beginnen. Net als gisteren. En eergisteren. En de dag daarvoor.

Pierre en zijn partner drinken bier, heel traag. Allebei een keurig blikje Heineken. Ze willen vast geen koffie meer. We zijn er over vijftien minuten.

‘Ze heeft het grote voordeel dat haar lichaam zwakker is dan haar geest.’

Ik haal het waterreservoir uit de machine, ik weet even niet wie van de twee dat zei.

‘Dat ze op tijd weet wanneer ze gas terug moet nemen, bedoel je,’ zegt Pierre.

Dan mag ik gevoeglijk aannemen dat het zijn vriend was die dat beweerde van haar lichaam.

Die zegt nu: ‘Daarom werkt ze op woensdag niet meer. De anderen hebben het uitstekend opgevangen. Ik vond het eigenlijk heel goed van haar.’

Rousseau schreef en Camus herhaalde: ‘Niets op aarde is de prijs van mensenbloed waard.’ Dat zal ik vanavond op mijn beurt herhalen in het hotel, wanneer ik mijn vader bel en hem vertel over de jongen. Dikke kans dat hij het allemaal zo’n punt niet vindt. Waarom ik me altijd druk maak over dingen die er niet toe doen, zal hij vragen. Over Rousseau. Camus. Over boeken sowieso. Over zo’n jongen.

Meer water wilde hij niet, of eigenlijk leek hij mijn vraag niet eens te hebben gehoord. Hij hield zijn ogen gericht op een punt ergens in de lucht boven de beker, een punt ter hoogte van de kop van een flinke kat, of een kleine hond, alsof alleen hij een dier waarnam waar wij enkel een plastic beker zagen. Maar dat is een gedachte achteraf. Op het moment zelf begon het me vooral flink te irriteren dat hij me negeerde. Ik begreep niet wie bij dit gedrag iets had te winnen.

‘Ik ben het tuinhuis intussen toch gaan verbouwen,’ zegt de man die niet Pierre is. ‘Je weet maar nooit.’

‘Je weet maar nooit,’ zucht Pierre.

Ze nemen allebei een slokje Heineken.

De jongen bleef in hoog tempo cirkelen, volstrekt onbereikbaar, en de mensen in de rij achter hem deden niets waaruit bleek dat zijn toch wat ongewone activiteit hen verontrustte. Ze bleven kalm staan wachten, keken op hun telefoons of naar zichzelf in de ramen, waarachter het steeds meer nacht werd. Alsof ze dachten: het is weliswaar vreemd, maar iemand zal het zo wel oplossen.

En die iemand, dat was ik.

Eerst zei ik, tegen niemand in het bijzonder: ‘Oké dan.’ Daarna trok ik mijn rolluik dicht. Toen ik daar ineens alleen in het schemerdonker achter mijn luik stond, vergat ik een ogenblik waarom ik ook alweer moest ingrijpen. Hoogstwaarschijnlijk was die jongen gestopt met draaien op hetzelfde moment dat ik de bar sloot. Nu ik niet meer naar hem keek, was de lol er vast vanaf. Nu liep hij rustig terug naar zijn stoel en kon ik vanavond tegen mijn vader zeggen dat het weer een goede reis was geweest, zonder hobbels op de weg.

‘Maar dat is toch niet iets om naar te streven,’ zou hij vragen, ‘een leven zonder hobbels? Van hobbels is nog nooit iemand doodgegaan!’

Zulke dingen zegt mijn vader.  

Natuurlijk zou hij niet ophouden, de jongen. Ik had het gezien aan zijn gezicht, waaruit hij zich geheel had teruggetrokken: hij zou niet stoppen met draaien totdat iemand hem ertoe dwong.

‘Ze hebben een appartement als een paleis, midden in de stad,’ zegt de vriend van Pierre. ‘Maar geen tuin. Dat is toch zielig voor zo’n kind.’

Op de trein reist politie mee, maar de politie wil je een onschuldige dwaas niet aandoen.

‘Ook geen balkon of zo?’ vraagt Pierre. ‘Wij hadden een balkon vroeger. Boven waar nu de Plus zit, weet je wel?’

‘Onze Plus?’

‘Ja, daar.’

Dus ik kwam achter het buffet vandaan en liep op hem toe. In de rij klonk intussen wat ontevreden gemurmel. Aan deze situatie – de jongen die om de beker liep, de mensen die binnensmonds begonnen te protesteren – zou binnenkort hoe dan ook een einde komen, want aan alles komt een einde, en ik vroeg me nog eens af of mijn ingrijpen werkelijk noodzakelijk was. Maar zoals mijn vader altijd zegt: soms moet je ingrijpen om erger te voorkomen.

‘Luister, vriend,’ zei ik, ‘je hebt vast een reden om te doen wat je doet, zoals we allemaal menen een reden te hebben voor ons handelen.’ Wanneer ik onzeker ben, denk ik niet alleen als mijn vader maar spreek ik ook zijn zinnen. ‘Ik wil graag horen wat die reden is. Heus. Sta stil, dan geef ik je een koffie of een biertje en dan praten we erover.’

Als een planeet om zijn ster bleef hij om de beker draaien. Dode ogen, rode vlekken op zijn wangen.

‘Anders komt er zo meteen zeker weten iemand die moeilijk gaat doen. Ik doe niet moeilijk, zie je dat? Maar dan moet je nu wel ophouden.’

Ik greep zijn arm. Ik weet niet of ik hem onwillekeurig, uit opgekropte ergernis, veel te hard uit zijn baan trok of dat hij simpelweg struikelde, maar hij viel langs me heen en sloeg met zijn voorhoofd op de punt van de statafel waaraan nu de vriend van Pierre zegt: ‘Je kunt het ook eigenlijk nooit goed doen.’

De politie kwam binnen precies op het moment dat zijn hoofd de aluminium rand raakte. Twee agenten. Stokken, handboeien, grote geweren. Ze sprongen boven op hem. Alsof dat volkomen logisch was.

Nu alleen nog de flessen in de koeling tellen en dan ben ik klaar.

Pierre schikt zijn sjaaltje, niet zo’n kunstenaarssjaaltje maar zo’n sjaaltje dat Pierre ook in die ene film draagt waarin hij precies deze man speelt die hij nu is, de man die steeds net niet zijn linkerhand legt op de uiterste hoek van de tafel, waar aan het aluminium een bloeddruppel kleeft die al drie kwartier elk moment kan vallen.

‘Misschien moet ik Steffies nummer opzoeken,’ zegt de man.

Ik zie de eerste lichtjes van de woontorens in de buitenwijken. Ik weet niet waar ze de jongen hebben opgeborgen. Ze sleepten hem de bar uit. Hij was bij bewustzijn, hij liet het gebeuren. Ik opende mijn luik. Toen ik alle wachtenden had geholpen, kwamen deze twee mannen binnen.

Een voor een deponeren ze hun blikje Heineken in de prullenbak.

Goed.

Vanavond zal ik mijn vader vertellen dat hij de afspraak mag maken. Ik zal de hand van Henri schudden, vriend Henri die net zo’n elegante jas draagt als de heren die nu zwijgend het rijtuig verlaten. Een contract zal klaarliggen, ik zal het tekenen. Ik zal een soortgelijke jas aanschaffen. Wat maakt het uit?

Iemand roept: ‘Kut!’ Soms krijgen reizigers vlak voor aankomst ruzie over kinderwagens die worden uitgeklapt, koffers in het gangpad.

Het maakt niks uit. Wat ik ook doe, uiteindelijk kom ik steeds weer terug op het punt van vertrek.

 

(Dit verhaal werd eerder gepubliceerd in Hollands Maandblad.)