Brief aan J. (1)

Carte-Postale-Ancienne-Saint-Mande-Bois-de-Vincennes-Le-jeu-de-Boules-582x375

 

 

Bonsoir J.,

 

Alles goed? Ça va? Ik hoor je ‘oké!’ roepen, dus het zal wel gaan. Je bent er nog, in elk geval. Mijn kanarie in de kolenmijn. Mijn allerbeste J. Elke dag raak ik meer op je gesteld, en ik vind het belangrijk je dat te vertellen voordat het te laat is. Heb ik gedronken? Ja, ook ik heb wat gedronken, de zon gaat onder achter de huizen langs de spoorlijn, B. zingt in bed, we zijn de dag doorgekomen zonder rampen, ik mag wat drinken, net als jij.

Ooit las ik ergens dat een ouder dat elke dag zei tegen zijn of haar kind: een dag zonder rampen is een goede dag. Die ouder had Auschwitz overleefd.

Hier thuis was vandaag een goede dag.

Sinds Ilja Leonard Pfeijffer is gestopt met drinken moeten alle Nederlandse schrijvers nuchter zijn, geloof ik. Zelfs in het buitenland. Dus ik zou dit eigenlijk niet mogen toegeven, dat ik nu eens fijn zit te schrijven met een fles rode wijn, na bijna twee maanden van confinement (een woord dat “opsluiting” betekent, klinkt als bedorven grapefruitjam en zich geheel toevallig precies zo laat leven als het klinkt).

Ik blader in de boeken op mijn bureau, op zoek naar een zin die richting geeft. Zelf tol ik maar wat in de rondte. Ik sla de Anthologie de nouvelles chinoises contemporaines op een willekeurige bladzij open: ‘Elle pense aussi à ce qui s’est passé à l’hôtel. L’employé de ménage, oui! Etait-ce vrai?’ Het verhaal is van Han Shaogong en heet Meurtre. De bloemlezing ligt al weken naast mijn laptop, ik heb er nauwelijks in gelezen. Ik hang steeds maar in die laptop rond. Alles wat ik op papier lees wordt gecontamineerd door wat ik lees online: een hotel, zegt u? Een schoonmaker? Wat toevallig! In het plan ter déconfinement van Anne Hidalgo, de burgemeester van Parijs, net gelezen op de website van Le Monde, staat dat ze mensen met symptomen wil isoleren in hotels, en ik dacht: als ze daar nu wat eerder mee was begonnen, had J. zeker recht gehad op een hotelletje! Of niet dan? Jouw hoest deed de afgelopen maand zelfs de zwaarste vrachttrein een ogenblik vertragen, uit respect.

Fijn dat het nu beter met je gaat. Ook ik hoest niet meer, voor het eerst in weken. Laten we het maar toeval noemen.

S. heeft voor je gekookt, vanmiddag, maar toen ze je de bakjes wilde brengen was je weg. De volgende keer dat je een maaltijd bestelt, moet je er misschien even op wachten. Ze stond een uur lang in de keuken terwijl B. aan haar schort trok om verhaaltjes. Ik vertelde hem er uiteindelijk maar weer eentje, over de prinses en de koning die deze keer (aflevering 378) een blauw monster ontdekten in de grot onder het kasteel. Daar moet ik dus morgen mee door, met dat blauwe monster, terwijl ik voor hem/haar als personage eerlijk gezegd weinig mogelijkheden zie.

Ik open een notitieboekje. Blader terug. Ik heb sinds de uitbraak nauwelijks tijd gehad iets zinnigs te schrijven, maar aantekeningen maakte ik natuurlijk wel, in de hoop later te kunnen zeggen: ‘O, ja, nu begrijp ik het.’

Waarom denk ik toch, net als iedereen, dat crises het beste in ons boven brengen? Heb ik dat ooit bewezen gezien? Het beste komt boven in de goeden, het slechtste in de idioten, en de idioten zijn nog altijd in de meerderheid.

Aha, toen was ik ook al vrolijk.

Ik blader verder terug, op zoek naar het begin van deze toestand. Een mogelijk begin.

Oude man voor de Carrefour grijpt in afvalcontainer. Jonge man in auto, raampje omlaag, maskertje onder zijn kin, zegt lachend tegen mij, terwijl ik oversteek: ‘Zo, die is niet bang voor corona!’

Dat was 4 april. Niet het begin van wat dan ook, begin april begonnen de dagen al te verkleven. Hier dan: zondag 15 maart, misschien. De zondag voor de officiële afkondiging van de lockdown, de confinement die toen nog geen confinement mocht heten. Weet je nog, J.? (Ik heb trouwens tot nu toe het gevoel dat ik hier tegen mezelf zit te praten. Dat jij helemaal niet meedoet. Normaal gesproken schmier je dwars door al mijn gedachten heen, maar nu laat je het, op een enkele ‘oké!’ na, geheel afweten. Je bent toch niet aan de rosé vanavond? Rosé is dodelijk. Zeker voor jou, zeker na je dialyse. Rosé is helaas wel gemakkelijk verkrijgbaar, in tegenstelling tot bijvoorbeeld nieuwe schoenen – mijn hakken zijn versleten, mijn rechterknie doet pijn, maar ik weiger schoenen online te kopen. Blijkbaar is roze wijn een essentieel product en zijn schoenen non indispensable. Proost dan maar, beste vriend.)

Zondag 15 maart. Notitieboekje. De dag van de gemeenteraadsverkiezingen. Het was een dag die een journalist in Le Monde bewoog tot het volgende stuk lyrisch proza: ‘Le ciel bleu, si bleu, et cet air si doux. Les platanes couverts de bourgeons, les cerisiers déjà chargés de fleurs blanches ou roses, les magnolias hissant haut leur tulipes.’

S., B’tje en ik wandelden die middag in het Bois de Vincennes, net als half Parijs en haar banlieue. We hadden besloten dat een wandeling wel kon, in het bos, om daar onze vrienden te ontmoeten, I. en T., ook al hadden we getwijfeld.

‘Is dit wel verantwoord,’ vroeg ik aan S., ‘ook al kussen we hen niet? Als de kinderen met elkaar spelen, brengen we onszelf en de wereld toch net zo goed in gevaar?’

S. begreep mijn twijfels, die begrijpt ze gelukkig altijd, ook zij is nooit ergens zeker van. (Ja, B’tje, dat wordt nog wat, met die ouders van jou.) ‘Maar waarom zou ik wel mogen gaan stemmen,’ vroeg ze, ‘in een klein stemlokaal, en niet naar het bos?’

Een goede vraag. Ze was altijd gaan stemmen, voor alles, sinds ze stemgerechtigd was. Maar nu twijfelde ze, voor het eerst. Ze ruimde haar bureau op, las B. een verhaaltje voor en zei uiteindelijk: ‘Er komt toch nog een tweede ronde, ze zoeken het maar uit. Macron neemt enorme risico’s, alleen maar omdat een paar politici hun agenda’s niet willen aanpassen. We gaan wandelen. In het bos hebben we ruimte zat.’

Een logische gedachte, maar, ‘le ciel bleu, si bleu, et cet air si doux…’ In het Bois de Vincennes waren er voor elke boom vijf wandelaars. Een oude vrouw, zetelend op een steen aan een slootje, snerpte toen B. in de buurt kwam van haar man, een over zijn stok gebogen denker op de kei naast haar: ‘Haal dat kind weg! Eén meter!’ (Destijds spraken we nog van één meter.) Ik riep B. bij me, en begreep voor het eerst dat door deze pandemie alles voorlopig anders zou zijn. B. was niet langer het engelachtige jongetje dat met zijn blonde krulletjes oude vrouwtjes tranen in de ogen bracht, maar een gevaar: een schurftige hond, een handgranaat.

‘Dat mag best wat vriendelijker, mevrouw,’ zei S.

‘O, ja? Hou dat kind bij u. Of heeft u liever dat wíj vertrekken?’

En zo opende die dame als een van de heksen in Macbeth een raam op de toekomst. Hoeveel burgers aller landen, J., hebben zich vandaag, nee, zelfs het afgelopen uur niet die ene vraag gesteld: ‘Wat als zij nou wat eerder zouden vertrekken, zodat wij gewoon verder konden spelen?’

Diep in het bos vonden we I. en T. met de kinderen. We voetbalden, deelden onze zorgen, informatie, handgel, chocoladecake. Het was goed. Toen de zon onderging en het hele lieve zootje badend in oranje avondlicht van die cake stond te genieten maakte ik een foto. Lieve God, bad ik, laat ons elkaar gauw weerzien.

Inmiddels weten we natuurlijk, beste J., dat die zondag onze laatste dag in de buitenlucht was. Nee, niet die van jou. Ik heb het over ons, niet over jou. Vrijwel nooit, vermoed ik, wordt een ‘we’ uitgesproken waarvan jij deel uitmaakt. Dat is misschien treurig, maar soms ben ik jaloers op je. Als ik alle columns en opiniestukken lees waarin wordt verteld waarvan we ons nu ineens bewust moeten zijn (onze sterfelijkheid, de broosheid van het bestaan) en wat we vanaf vandaag allemaal anders moeten doen, wens ik me regelmatig aan die we te mogen onttrekken – al was het maar omdat de dood jarenlang mijn dagelijkse metgezel was en ik het tijd vond voor wat afstand, en omdat ik sowieso altijd meen dat alles anders moet, maar enigszins onrustig wordt wanneer ineens iedereen die opvatting deelt. Massale geestesbewegingen leiden meestal tot de immobilisatie van de individuele geest.

Ja, soms ben ik jaloers op je. Het is een onredelijke, wellicht schandalige jaloezie, maar ik heb onlangs besloten mezelf wat meer onredelijkheid en schanddaad toe te staan. Zou dat regressie zijn? (We ontvingen via school een brief van de Assistance Hôpitaux Publique de Paris waarin werd uitgelegd dat kinderen die onder stressvolle omstandigheden langere tijd binnen moesten blijven last konden krijgen van regressie: ze gingen weer duimzuigen, broekplassen, leden aan verlatingsangst. B’tje houdt zich goed, maar op sociale media bijvoorbeeld is het duidelijk zichtbaar: men deelt kinderfoto’s, favoriete liedjes uit de tienertijd, films van toen we nog zonder zorgen waren.)

Inmiddels weten we ook, J., want daar had ik het over, dat een groep artsen vanwege het laten doorgaan van de verkiezingen op die mooie lentedag de regering heeft aangeklaagd wegens nalatigheid en ik waarschijnlijk dáárom kwaad was als een kleuter op Macron toen hij ons verbood te gaan wandelen zonder briefje, terwijl ik heus begrijp dat binnenblijven de enige optie is, ik ben niet gek, ik zie heus dat de mensheid één enkel organisme is en dat we (ja, wij, als er ooit een tijd was om de cynicus in mezelf te overwinnen is het nu) allemaal verantwoordelijk zijn voor elkaar, wat dat betreft is dit virus misschien niets anders dan een parabel geschreven door de natuur om ons te wijzen op het probleem dat nog vóór ons ligt, het enige echte probleem, dat van de opwarming van de aarde; misschien zeggen we achteraf dat we die crisis zonder deze crisis nooit hadden kunnen bezweren, dus goed beschouwd is dit een prachtige, hoopvolle  – ‘Oké!’ roep jij buiten, ‘merci, danke, wunderschön!’

Dat roep je altijd als je geen zin meer hebt om naar iemand te luisteren. En ook als je geen antwoord wilt geven op mijn vragen. Merci, danke, wunderschön! – daarna draai je je om en ga je ten teken dat het onderhoud ten einde is weer zitten op je muurtje onder de kastanjes. Ook daar ben ik eigenlijk jaloers op, J. Die knappe truc die jij uithaalt: altijd aanwezig zijn, maar je nooit laten kennen. (De droom van elke schrijver.) Toen we hier kwamen wonen riep je: ‘Welkom! Ik ben uw buurman, de straatzwerver!’ We zwaaiden vrolijk naar je, dachten ach, we wonen vlak bij het station, daar hangen altijd wat zwervers rond. We wisten niet dat we je woorden heel letterlijk moesten nemen: ik ben uw buurman. Je hing daar niet af en toe wat rond, onder de kastanjes, je woonde er. Recht tegenover ons, bijkans onder ons balkon. ’s Nachts ging je een paar uur ergens anders slapen, maar ’s ochtends was je terug. Elke schooldag was je de eerste die we groetten. Wanneer we het pand verlieten voor een boodschap – wanneer we het pand verlieten, tout court, was jij daar. Je zat op je muurtje, je dronk, je rookte een sigaar. Je vroeg me een fles Pepsi mee te nemen van de supermarkt (waarom nooit Coca-Cola?) of bruiswater of brood of bonen met worst, en in het begin benauwde je aanwezigheid me, het feit dat ik letterlijk niet om je heen kon, dat je aan me was opgedrongen door dezelfde schikgodinnen die me daarvóór jarenlang hadden gedwongen mijn leven te delen met een geesteszieke dichter, alsof ze vonden dat ik niet genoeg had geleden en nog maar eens een lesje moest leren – maar welk, dat zeggen ze er nooit bij. Een tijdlang probeerde ik je te negeren, totdat ik ontdekte wat ik al wist: iemand ontkennen is doodvermoeiend. Als je iemand wilt laten verdwijnen, moet je hem leren kennen. Dus ik stapte op je af. Stelde je vragen: Hé, J., goedemorgen, heb je goed geslapen? Waar slaap jij eigenlijk ’s nachts? En waar sliep je toen je daar niet sliep? Ben in je hier in de banlieue geboren, of in het centrum van de stad, of ergens anders? Heb je kinderen?

‘Ik slaap altijd goed,’ zei jij. ‘Merci, danke, wunderschön!’ En je liep terug naar je muurtje.

Maar ik gaf niet op, ik bleef vragen, en nu, anderhalf jaar later, weet ik dat je a. geboren bent in Italië, b. een enorme villa hebt in Polen, c. jarenlang in Duitsland woonde en deel uitmaakte van de Rote Armee Fraktion, totdat het je begon te vervelen, d. een Fransman bent in hart en nieren die een hekel heeft aan buitenlanders, en e. all of the above.

Voilà, dat is wat ik van je weet. Het ergerde me uiteraard, zeker door de intrigerende snippers die je rondstrooide (Baader en Meinhof nog gekend!), dat ik werkelijk niet wist wat waar was en wat raaskal; andere buren konden ook vrijwel niets over je vertellen, behalve dat je al minstens vier jaar onder die bomen woonde en dat je wel/niet vriendelijk was en dat ik je wel/niet moest aanspreken dan wel geld of goederen moest leveren.

Je bent er altijd, en je laat je niet kennen. Je maakt met iedereen een praatje, observeert ons de godganse dag, weet veel meer over ons dan wij over jou. Wanneer ik rond zeven uur ’s avonds nog snel naar de supermarkt ren en tegen je zeg, omdat ik een keer geen zin heb iets voor je mee te nemen, dat ik niet precies weet wanneer ik terugkom, roep je me achterna: ‘Kameraad, je komt over twintig minuten terug, zo lang kan ik wel wachten: een Pepsi graag! En keukenpapier!’

Je hebt een vast arsenaal aan gevatheden die je elke keer weer afvuurt: ‘Hé, buurman, hoe staat dat met die wereldrevolutie die wij samen zouden beginnen?’ En tegen B., wanneer hij de deur uitstapt in zijn gele regenjasje, roep je steevast: ‘Je bent te jong voor de gilets jaunes, vriend, eerst je bac halen!’ Of: ‘Ha B’tje, wij blijven lekker staken, of niet dan?’

En zoals dat gaat als je maar lang genoeg in elkaars aanwezigheid verkeert: je raakt aan elkaar gewend. Je wordt onderdeel van elkaars wereld, elkaars thuis, in dit geval, en omdat je graag gesteld bent op je thuis raak je gesteld op de ander, zelfs al is die ander zo nu en dan veeleisend, boos op alles en iedereen, bezopen en opdringerig – en dan heb ik het nog niet eens over jou. (Ha! Badabam! Een glaasje nog maar. En heb ik gelijk of heb ik gelijk, J.? Toen ik begin dit jaar een maand weg was hoorde ik achteraf van S. dat je elke dag naar me vroeg.) Bon. Enfin. Jaja. Mijn raam staat op een kier, een laatste lege forensentrein doet het station aan, ik hoor je iemand groeten. Misschien is het de brandweerman die bij ons in het gebouw woont, in een van de chambres de bonne op de bovenste verdieping. Een goede gast, een dappere essentiële werker. Hij komt vaak laat thuis. Ik klap even voor hem, maar zachtjes, zodat ik niemand wek.

Zoals ik al zei, J., aan het begin van deze zwalkende monoloog: elke dag raak ik meer op je gesteld. Ik besefte dat een paar weken geleden pas. Sinds zondag 15 maart – ‘Le ciel bleu, si bleu’, etc. – komen wij nauwelijks nog buiten, bestrijden wij binnen zo goed en kwaad als het gaat onze angst en onzekerheid. Wanneer ik uit het raam kijk, zit jij buiten op je muurtje. Flesje, sigaartje. En dat stelt me gerust. The dude abides, denk ik dan. J. is er nog. Zolang J. er nog is, zullen wij het ook wel redden. Ik heb me natuurlijk voorgenomen om wanneer deze confinement voorbij is alles maar dan ook alles over je te weten te komen, harde feiten: geboortedatum, geboorteplaats, huwelijkse staat, kinderen of geen kinderen, traject tot hier, want dat wil de schrijver – maar tegelijkertijd wil de schrijver dat je juist zo onkenbaar blijft als je bent, zodat ik alles op je kan projecteren wat ik wil, en ik jou kan gebruiken zoals jij mij gebruikt.

Ik zal je zo de bakjes brengen met de pasta die S. voor je heeft klaargemaakt. Dikke kans dat je zegt ‘Het is niet warm meer’, en ‘Kom er morgen maar mee terug’, maar ik zal dit keer niet boos op je worden, ik zal je op afstand een goede nacht wensen en in de vensterbank van de benedenburen een briefje van tien achterlaten. Ik zal hoogstens tegen je zeggen dat je rustig aan moet doen met die rosé, J., want toen je een paar weken geleden voor dialyse twee dagen in het ziekenhuis was, miste ik je verschrikkelijk. Je had me niets verteld, was ineens verdwenen, ik dacht dat het virus je te pakken had. Eindelijk stonden de kastanjes in bloei, en nu deden ze me kaal en verlaten aan.

Blijf gezond, zou ik bijna schrijven. Stay safe. Maar dat hoeft niemand jou te vertellen. De volgende keer schrijf ik je een serieuze brief. Iets nuchters, iets waar we wat aan hebben. Voor nu: ik kom eraan. Ik warm de pasta eerst wel even op.

 

Bien à toi,

I.