
Een man komt na een lange werkdag thuis, omhelst in de keuken zijn partner, kust zijn kinderen.
‘Hoe was je dag?’ vraagt zijn partner.
‘Uitstekend, mijn idee voor vapes met computerspelletjes is er eindelijk door. De Smartvape. Iedereen was dolenthousiast.’
Een fles goede wijn gaat open, dit moet gevierd.
‘Dus je speelt een spelletje op je vape, en als je naar een volgend level wilt, moet je eerst een trekje nemen. Briljant, vind je niet?’
Nu kijkt de partner zuur.
‘Is de wijn niet goed?’
De partner slikt moeizaam. ‘Ik had het misschien niet goed begrepen. Jij doet daar toch alleen de marketing? Wil je nu zeggen dat jij dit hebt bedacht? Een mix tussen een vape en een smartphone?’
‘Ja! En jij maar beweren dat ik saai begin te worden, nooit meer iets nieuws bedenk.’
‘Maar dan hoef je toch niet meteen te veranderen in de Oppenheimer van de tabaksindustrie? Wil jij miljoenen doden op je geweten hebben?’
‘Stel je niet aan. Het is maar voor kinderen. Die vinden dit leuk.’
‘En raken zo massaal verslaafd aan nicotine!’
‘Doe niet zo hysterisch. Moet jij straks mijn oudejaarsbonus eens zien. Gaan we heerlijk van kerstshoppen op de Champs-Élysées. En wat jij misschien niet begrijpt: als ik dit niet had bedacht, had iemand anders het gedaan. Nu ik het ben, kan ik misschien nog een beetje bijsturen. Nu kan ik zeggen: niet voor elk nieuw level drie keer laten puffen. Eén of twee keer is genoeg.’
De partner aarzelt. Neemt nog maar een slokje. Ergens klopt er in deze redenering iets niet – of, nou ja, aan de andere kant…
Een andere keuken, ditmaal in een Franse woonboerderij. Weer komt een man binnen: hij draagt een flanellen pyjama, hij steekt zijn smartphone in de lucht.
‘Ze willen me!’
Zijn vrouw, al aangekleed, staat aan het aanrecht, ze zoekt voor haar espressomachine een geschikt cupje uit. ‘Houd het kort, schat,’ zegt ze, ‘ik moet zo weg.’
‘Minister van Binnenlandse Zaken!’
‘Die belde jou? Zo vroeg?’
‘Nee, ze willen mij als minister van Binnenlandse Zaken!’
Ze kiest Arpeggio. ‘Wat zeg je nou toch allemaal, meneertje Bruno Retailleau; jij wordt minister? Maar je hebt de verkiezingen toch dik verloren? Net als de verkiezingen daarvoor? En die daarvoor?’
‘Jawel, maar…’ Hij steekt zijn telefoon nog hoger in de lucht.
‘Dan is het toch helemaal niet logisch dat jij, van zo’n piepklein partijtje, nu het binnenland gaat besturen?’
‘Luister.’ Hij legt zijn telefoon op het aanrecht, zodat hij beide handen vrij heeft om zijn punt kracht bij te zetten. ‘Dit is precies het juiste moment voor iemand als ik om orde op zaken te stellen. Immigratie, drugs: het land heeft iemand nodig die niet vies is van het woord repressie. De kiezers zijn het zat.’
‘Maar jouw Républicains hebben ze niet gekozen.’
‘Je begrijpt het niet!’ Hij loopt naar een manshoog boograam, wijst naar het glooiende landschap buiten.
‘Frankrijk wordt overspoeld door kansloze asielzoekers en drugscriminelen! Ze vragen mij, omdat ze weten dat ik niet bang ben in te grijpen, mandaat of geen mandaat. Want als ik het niet doe, zijn straks de populisten aan de macht. Marine en haar proleten, lieverd! Daar moet jij toch ook niet aan denken?’
De koffie is klaar. Hij is wel schattig, vindt ze, zoals hij daar opgewonden staat te gesticuleren in zijn ruitjespyjama. En misschien heeft hij gelijk. Alles beter dan Marine.
‘Maar je gaat toch niet weer zo’n ouderwetse war on drugs uit de kast halen? Je weet best dat dat niet werkt.’ Ze zou hem gemakkelijk honderd onderzoeken kunnen laten zien die haar stelling onderschrijven, maar ze doet geen moeite, wetenschappelijk bewijs interesseert hem nauwelijks. Zeker niet als zij ermee komt. Zij is maar een schoolarts, hij is… Bon, minister dus, blijkbaar. Deze keer.
‘Ze hebben me nodig,’ zegt hij. ‘Iemand moet het doen.’
Een paar maanden later, in een Hilversumse keuken, zegt een man: ‘Nee, hoor, sommige dingen moet niemand doen. Waarom zou jij deze foute regering nog langer overeind houden?’
Aan de keukentafel lepelt zijn vrouw lusteloos een bosbes uit haar yoghurt. ‘Juist nu zijn wij hard nodig.’
‘Waarom? Zie jezelf nou eens zitten, Nicolien. We zijn toch niet teruggekomen uit Down Under om hier net zo burned-out te raken als Pieter?’
‘Ik moet er zijn om de rechtstaat te bewaken. En het fatsoen.’ Zuchtend laat ze de bes van haar lepel rollen, terug de kom in. ‘En wij moeten opstaan tegen racisme. Als wij nu weglopen…’
‘Dan is het eindelijk gedaan met dit kabinet, en dan weet iedereen weer dat er met de PVV niet te regeren valt. Prima toch?’
‘De kiezer…’ Ze bekijkt zichzelf in haar lepel. ‘We mogen de kiezer niet…’ Ze ziet dat ze huilt.
‘Liefje,’ zegt de man zacht, hij loopt naar haar toe.
In Zoetermeer maakt een bezwete premier na een uurtje hardlopen voor zichzelf een smoothie.
Hij voelt zich onprettig. Slap, flauwtjes.
Te weinig slaap, te hard getraind.
Eindelijk heeft hij een momentje voor zichzelf, en juist nu is hij niet lekker; het lijkt wel alsof elke kiwi die hij snijdt, elke banaan die hij pelt, elke appel die hij schilt hem vraagt: ‘Waarom jij, Dick? Waarom jij?’
Hij legt bedaard het mes neer, spoedt zich naar het toilet.
‘Iemand moet het doen,’ kreunt hij, terwijl hij overgeeft. ‘Het volk heeft recht op…’
Terug in Frankrijk, in een dorpje even boven Parijs. Een vrouw en een man komen tegelijkertijd de keuken binnen. Zij komt van buiten, hij van boven.
‘Alles goed?’ vraagt zij. ‘Hoe was je dag?’
‘Prima. Gewerkt. En een stukje geschreven.’
‘Leuk. Waarover?’
‘Over de misvatting dat het beter is iets te doen dan iets te laten. De wereld gaat ten onder aan mensen die denken dat ze onmisbaar zijn.’
Ze trekt haar jas uit. ‘Had je dat stukje dan niet net zo goed ongeschreven kunnen laten?’
‘Waarschijnlijk wel.’ Hij opent de koelkast. ‘Hoe was jouw dag?’