
(Nagekomen bericht. Dit is een licht herschreven versie van een stuk dat in juni 2023 in Hollands Maandblad verscheen.)
Beste J.,
De nacht is eindelijk voorbij. Ik zit in het zolderraam en houd mijn gedachten zo klein mogelijk. Ik kijk. Een houtduif op een elektriciteitskabel. Verderop de linden aan de Seine. Tussen hun stammen de schittering van vroege zonnestralen op het water. Onder mij ons tuintje; de bloeiende egelantier, de wild groeiende druif, de eeuwenoude muren – en in het wat diffuse, naar Seurat zwemende ochtendlicht zie ik ineens jou van boven. Je staat voor de hoge muur aan de straatkant. Je rookt een sigaartje, zoals ik je dat vroeger elke ochtend zag doen, ook van boven. Toen we nog in de banlieue woonden. Ik knipper met mijn ogen – en weg ben je. Natuurlijk… Hier was ik al bang voor. Maf gedoe. Het is allemaal de schuld van Modiano.
Vannacht kon ik niet slapen, ik las zijn Souvenirs Dormants. Figuren die opdoemen uit de mist van het verleden. De betekenis van toevallige ontmoetingen. Rond een uur of zes begonnen zijn eeuwige schimmen in de brume, zijn mystères de Paris en zijn herinneringen verloren in de nuit des temps me te ergeren. Mijn vriendin werd wakker, ik deed mijn beklag, zij beweerde gapend dat het veel te gemakkelijk was een karikatuur van Modiano te maken, iets breekbaars af te breken. Ze had gelijk. Het boek irriteerde me omdat ik al vermoedde dat er weemoed van zou komen, onrust. En jawel: er was maar een schim in de ochtend voor nodig, misschien een rokende buurman met zijn hond, om jou weer tevoorschijn te toveren.
Niet dat ik je was vergeten, J. Zo snel gaat dat niet. Maar ik deed de laatste maanden mijn best zo min mogelijk aan je te denken, ik had me voorgenomen ingewikkelde problemen tijdelijk aan anderen over te laten. Ik probeerde gedachten over bijvoorbeeld Bachmoet, het gevaar van AI, het dreigende gebrek aan regen en ‘het volk vs. Macron’ verre van me te houden – en dus ook mijn zorgen over jou, over jouw lot daar op de rue de Colmar, in Le Perreux-sur-Marne, nu de vrachtwagens, de bulldozers en de sloopkogels naar je onderweg zijn. (Modiano schreef trouwens over Le Perreux in zijn Fleurs de ruine, een titel die me aanvankelijk ook irriteerde, maar die ik nu wel passend vind.)
Het licht kruipt naar de tuin van de overburen. Hun Amerikaanse vlier wiegt in de wind. Een bonte kat loopt over onze muur. Hij zal uit de klimop zijn gekomen. Het dorp is vol katten. Je kunt ze gratis bekijken. Toch wil mijn zoon zijn eigen kat. Eentje die van hem is. Eentje die hij temmen mag. Hij weet nog niet dat katten nauwelijks te temmen zijn. Jij was dol op mijn zoon, weet je nog? Wanneer hij de deur uitstapte in zijn gele regenjasje, riep je altijd: ‘Je bent te jong voor de gilets jaunes, vriend, eerst je diploma halen!’ Of: ‘Ha B’tje, wij blijven lekker staken, niet dan?’
Misschien zag je het niet, maar hij stond vaak op het balkon naar jou te kijken. Zoals je daar leefde voor je muurtje onder drie witte paardenkastanjes – rokend, gebarend, drinkend. Het is me niet duidelijk wat hij dacht van de situatie: wij in ons negentiende-eeuwse appartement met krakend parket en geornamenteerde plafonds, jij onder de bomen. Ik denk dat hij je accepteerde als onderdeel van de omgeving, net zoals de duiven in de dakgoot van het gebouw aan de overkant, de parkeerplaats achter de kastanjes, en het station daar weer achter. Hij was toen vijf jaar. Nu is hij zes. Op die leeftijd hoort wat in de ogen van grote mensen afwijkt er gewoon nog bij.
Sinds we zijn verhuisd, J., heeft hij het nauwelijks over je gehad. En dat terwijl we toch bijna drie jaar hebben samengewoond – anders kan ik het niet noemen. Zeggen dat we in dezelfde straat woonden, volstaat niet om de intimiteit van onze relatie te verklaren: wij stonden met jou op en gingen met je naar bed. Voordat ik ’s ochtends de gordijnen opende, had ik je al iemand horen groeten, en overdag volgde ik met een half oor je uitroepen en gesprekken op straat, waarvan het volume gelijk opging met je drankinname. Wanneer je ’s avonds laat zweeg, controleerde ik of je koffer en tassen netjes waren weggestopt in het diepe venster met de eeuwig gesloten luiken aan de overkant, en of jij niet bewegingloos op de stoep of in het plantsoentje lag. Dat gebeurde maar een enkele keer. Bijna altijd ging je naar de nachtopvang aan de Marne, op een kwartier lopen. Alleen in het begin van de covid-periode bleef je ook vaak ’s nachts in de straat. Dan sliepen we samen onrustig.
Vannacht sliep ik dus helemaal niet. Het is ook veel te warm voor de tijd van het jaar. Vanochtend hangt er een lichte nevel in de lucht, die komt van de Seine, hij breekt de lijnen en zorgt voor een sfeer die doet denken aan – Seurat, dat zei ik al. La Seine à la Grande Jatte, Printemps. Dat schilderij. Zo kan het hier in de Vexin ook zijn op vroege lenteochtenden. Fijne waterdruppeltjes die bewegingloos in de lucht hangen. De grond wordt er niet vochtig van, helaas, het gras is al dagen geel, het wordt een zomer van grote droogte, daarover is iedereen het eens: het is nog maar juni en de regering heeft al opgeroepen spaarzaam te zijn met water, zwembaden niet te vullen, niet te vaak te sproeien, en dat terwijl de oud-bankier aan het hoofd van dit land geen enkele moeite doet het water verspillende grootkapitaal…
Nee – klein houden die gedachten. Mag dat niet zo nu en dan? Een paar maanden niet meedoen? De grote debatten aan me voorbij laten gaan? In discussie, mijns ondanks, met een buurvrouw over Macron, een paar weken geleden, leverde mijn poging tijdelijk verlof te nemen van de moraal me het verwijt op dat ik de president enkel als een personage bezag, zijn gedrag alleen psychologisch probeerde te duiden, en niet begreep wat hij de mensen aandeed. Ik had gezegd dat ik een paar boeken over hem las, maar nog niet onmiddellijk een definitief oordeel klaar had. ‘Je hoeft toch niet eerst een biografie over hem te lezen,’ riep ze, ‘je ziet toch elke dag wat hij doet?’
Ik zag elke dag wat jij deed, J., maar het lukte me nooit een moreel oordeel over je te vellen
waarmee langer dan een uur te leven was. En dat terwijl ik dat toch zo graag wilde. Heb je eenmaal een bestendig oordeel over een mens bereikt, dan wordt hij minder aanwezig. Daarom zocht ik net zo goed naar een oordeel over jou als over mijzelf. Was jij een probleem dat ik moest oplossen, of moest ik mijn zoontje volgen in zijn eenvoudige aanvaarding van jou als onderdeel van de ons omringende dingen?
Uiteindelijk moest er een oplossing worden gevonden natuurlijk. Ik ben een Nederlander. Ik kon je daar niet laten staan totdat je uit jezelf vertrok – ik diende jouw problemen tot de mijne te maken. Sans Domicile Fixe? Dat fiksen wij wel even.
Tijdens de pandemie heb ik trouwens ook al eens geprobeerd je een brief te schrijven. Ik zat achter mijn bureau, het was avond, ik dronk binnen rode wijn en jij dronk buiten rosé. In die brief beschreef ik mijn vergeefse pogingen je te leren kennen, hoe je mijn vragen naar jouw achtergrond steevast na een kwartiertje onderbrak met ‘Merci, danke, wunderschön!’, waarmee je zeggen wilde: dank voor de aandacht, en laat me nu met rust. Na maanden van onderzoek had ik niet meer dan wat kleine plukjes informatie over jou bijeengesprokkeld, gegevens waarmee ik vrij weinig kon: je zou in Italië geboren zijn, huizen bezitten in Polen, deel hebben uitgemaakt van de Rote Armee Fraktion en tevens een hoge pief in het leger zijn geweest. Laat ik eerlijk zijn en toegeven dat jouw weigering mij gewoon je levensverhaal te vertellen gaandeweg flink aan me begon te vreten. Hoe langer wij samenwoonden, hoe meer ik dacht op dat verhaal recht te hebben. Als ik de hele dag je raspende stem moest horen, de deur niet uit kon zonder je te zien, mocht ik dan goddomme in elk geval weten wie je was? Ik raakte ervan overtuigd dat ik gemakkelijker met je zou kunnen leven als ik je zou kunnen verklaren, zoals lawaai bij de buren draaglijker wordt wanneer je weet dat ze de keuken verbouwen. Daarnaast meende ik je effectiever te kunnen helpen als ik over meer feiten beschikte. Met de juiste informatie kon ik bijvoorbeeld op het gemeentehuis vertellen waar het in jouw leven precies fout was gegaan, welke zorg je nodig had, zodat men me niet meer kon afpoeieren met de verzekering van de situatie op de hoogte te zijn; ik was niet de enige die over jou had gebeld, het gerucht ging dat de buren links van ons waren verhuisd omdat ze jouw constante aanwezigheid niet langer verdroegen.
Mijn naïviteit was in die eerste periode grenzeloos. Ik stelde me werkelijk voor je op een dag als weldoener te zullen bezoeken in je nieuwe onderkomen, als ik maar geduldig vragen bleef stellen. Of was het hoogmoed? Naïviteit en hoogmoed zijn vaak lastig van elkaar te onderscheiden.
De zon is helemaal boven ons hoge huis uit geklommen, de pointillistische waas verdwijnt, het wordt nu serieus warm hier in het raam. Een scheepshoorn klinkt. Een strenge. Een groot schip, een riviercruise misschien. Die zie je veel tegenwoordig. Laatst heette er een de ‘Virginia Woolf’, zou dat Franse humor zijn? Ganzen vliegen over. Het zijn Grote Canadese ganzen, weet ik sinds kort. Vroeger broedde deze troep ergens anders, tegenwoordig blijven ze het hele jaar hier aan de oevers van de Seine. Ze worden gevoerd, en verder loopt iedereen met een grote boog om hen heen, ze zien geen enkele reden meer om dit knusse dorp te verlaten. Waarom zou je dagenlang vliegen als alles wat je nodig hebt er al is?
Deze observatie over de Canadese ganzen zou ik natuurlijk, beste J., nogal gemakzuchtig kunnen verbinden met jouw vastberaden immobiliteit; je had je plaatsje onder de bomen, je had aanspraak, je had buren zoals wij die zorgden voor zakgeld, die ingeblikte bonen en worst meenamen van de supermarkt, of Pepsi, of keukenrollen – waarom zou je je inspannen voor verandering van je leefomgeving? Je had het toch prima voor elkaar? Volgens onze bovenbuurman stond je er bij onze komst al vier jaar. Vier jaren voor het muurtje. Je fles, je sigaar.
Ik denk dat ik deze voor de hand liggende koppeling wel degelijk mag, nee, moet maken, om te vermijden dat ik hier niets anders doe dan als een tweedehands Van Dis de schuldgevoelens en machteloosheid etaleren van een geprivilegieerde burger bij de aanblik van een arme sloeber: je was daar omdat je niet ergens anders wilde zijn.
Het was overigens L., een buurtvriend, die me dat deed inzien. L. was onderdirecteur van een grote katholieke liefdadigheidsorganisatie en kende jou vrij goed. Hij zei dat je een racist was, niet hield van Noord-Afrikanen zoals hij, maar dat kon hem niet schelen. Als hij je onderdak had kunnen verschaffen, had hij het gedaan. ‘Maar je kunt iemand alleen helpen als hij geholpen wil worden, en J. wil niet geholpen worden.’ Daarmee was het probleem J. voor hem opgelost. Waarom niet voor mij? Zoals gezegd probeerde ik de gedachte aan jou te onderdrukken, maar je ziet wat daarvan komt. Ik zou vandaag eindelijk, denkend aan de woorden van L., een wilsbesluit moeten nemen: de zaak is afdoende verklaard, jij bent niet meer dan een herinnering die vanzelf zal vervluchtigen in de mist der tijd en ik keer terug naar mijn wens me voorlopig zachtjes te laten drijven op vederlichte gedachten. Jij wilde daar nu eenmaal blijven wonen, in Le Perreux-sur-Marne, onder de witte paardenkastanjes van de rue de Colmar. De kastanjes die, net als jij, ten dode zijn opgeschreven, want de kettingzagen, de sloopkogels, de reusachtige tunnelboor…
Ik heb je destijds gevraagd of je wist van de plannen voor de Grand Paris Express. Het nieuwe metronetwerk dat de buitenwijken van Parijs met elkaar moest gaan verbinden. Je haalde je schouders op. ‘Er zijn altijd plannen.’ Ik legde uit dat deze plannen vrij specifiek waren. De halve wijk zou tegen de vlakte gaan voor de aanleg van een nieuw metrostation.
‘Waar moet dat komen dan?’ vroeg je.
‘Hier,’ zei ik. ‘Precies daar waar jij nu staat, daar komt een ingang naar de metro. De tunnel wordt op ditzelfde moment al onder de grond uitgeboord. De boor is in Champigny begonnen en werkt zich meter voor meter naar ons toe. Het station achter je gaat tegen de vlakte, het is hier straks één grote bouwput.’
‘O, dat,’ zei je. ‘Ja, daar praten ze al jaren over. Dat kunnen ze goed, praten. Komt toch nooit iets van.’
‘Ze zijn druk bezig de huiseigenaren uit te kopen. In deze straat blijft ons gebouw staan, en verder bijna niets. Er komen glanzende, moderne panden straks.’
Je keerde je van me af: ‘Merci, danke, wunderschön!’
Niet lang na dat gesprek hebben wij met veel moeite ons appartement verkocht en zijn we vertrokken naar dit dorp in de Vexin. ‘Och, wat heerlijk, la campagne,’ zei je ten afscheid. ‘Dat zou ik ook wel willen, maar daar is geen werk.’ Je lachte er niet eens bij. Hoe kon ik, zoals L. moeiteloos deed, mezelf geruststellen met de gedachte dat jij leefde zoals je dat wilde, als je steeds zo duidelijk blijk gaf van een volkomen onvermogen je eigen situatie te doorzien? Of meende je wat je zei, en zag je elke dag bij het muurtje als een werkdag?
Na al die tijd te hebben samengeleefd, ken ik alleen deze feiten over jou: je bent in de buurt van het station geboren, aan de overkant van het spoor. Je bent op straat geraakt door problemen met de belastingdienst. Je ouders liggen op het kerkhof van Le Perreux-sur-Marne, een van de weinige plekken in de wijk die door de werkzaamheden ongemoeid zullen worden gelaten.
Verder durf ik over jou niets met zekerheid te zeggen. Behalve misschien dat je deze brief nooit zult lezen. En wat geeft het. Ik weet dat in en door dit schrijven niets wordt opgelost, en nauwelijks iets verklaard. Het is ook goed beschouwd helemaal geen brief aan jou. Je bent analfabeet, of in elk geval laaggeletterd – waarom moesten we je anders je doktersrecepten voorlezen?
Dit is geen brief aan jou, J., dit is een brief aan mijzelf. Dit is een poging de onrust te bezweren die werd opgeroepen door die irritante Modiano, en het beeld van een man voor een muurtje onder drie bomen, wiens bestaan elke dag iets verder wordt ondergraven. De tunnelboor komt dichterbij, als een gestaag naderend oordeel. Ik zit in mijn raam en verbeeld me haar diepe brom te horen – maar het zal heus een schip op de Seine zijn. Ik groet je een allerlaatste keer, J., en ik zeg: zwaluwen. Hoog in de lucht spelen boerenzwaluwen. Ze kwamen laat dit jaar. En daar is weer een kat, midden op straat. Een zwarte, erg sierlijk. Zo’n kat ga ik zoeken voor mijn zoon.
Je I.