
Mag ik nu heel eventjes, schreef ik in juli, een paar dagen maar, domweg gelukkig zijn? De Franse parlementsverkiezingen waren net achter de rug, de uitslag bezorgde het Rassemblement National een flinke kater, en na de overwinning van Wilders in Nederland was ik werkelijk opgelucht dat we hier voorlopig nog niet aan een premier Bardella hoefden te denken. Je weet niks, zei ik (voornamelijk tot mezelf), misschien wordt morgen alles anders. Fijne vakantie.
En werd het een fijne vakantie?
De scholen sloten, ik dacht: weet je wat, waarom zou ik niet, nu we toch bezig zijn, eens wat langer dan een paar dagen gelukkig blijven. Een uitstekend voornemen, dat zoals bekend nergens toe leidt als je het al te serieus neemt. Met gelukkig zijn is het als met spelen, musiceren, schrijven, seks: doe te hard je best en het mislukt. ‘If your fidelity to perfectionism is too high, you never do anything,’ zei David Foster Wallace ooit. Elke schrijver, kunstenaar, sporter, banketbakker zal zich daarin herkennen. Ik heb de prachtigste verhalen ongeschreven gelaten om ze mijn pen te besparen. Maar deze vakantie wenste ik alleen maar een tijdje gelukkig te zijn met niets doen, dat leek me niet te veel gevraagd: tuinieren, met vrouw en kind naar opapa en omama in Nederland, een paar dagen in Bergen op Zoom logeren en het Vincent van GoghHuis (zo schrijven ze dat) in Zundert bezoeken. Dat laatste was alweer bijna ‘iets doen’ te noemen, omdat ik daar informatie zocht voor een boek.
Misschien was dat een teken aan de wand: ik begon me, in de tweede week van de vakantie al, te verzetten tegen mijn eigen voornemen in ledigheid domweg gelukkig te zijn. En ik vroeg me af wat dat toch was met mij. Decadentie, calvinisme, horror vacui – angst voor de leegte? In Zundert bedacht ik, bij een houtskooltekening van Emmy Bergsma, geïnspireerd op Vincents boomwortels: óf ik ben constant bezig mijn innerlijke ruimte te vullen met een ontzaglijk betekenisnetwerk, óf ik geef me over en never do anything, zonder daarvan gelukkig te worden. Er moest toch een middenweg zijn? Het werk van Bergsma was getekend naar de dichte ondergroei rond de boomwortels te Auvers-sur-Oise die Van Gogh schilderde in 1890, het was net als zijn schilderij zowel figuratief als abstract, zowel bomvol als doodkalm.
Er volgden nog een paar vakantiedagen, we barbecueden met familie, het leven was heus goed, maar bij terugkomst in Frankrijk (in ons dorp niet ver van Auvers) ging ik gauw aan het werk – haast opgelucht zette ik me aan onder andere de redactie van een boek over de Shoah in Nederland. Buiten begon de zomer nu pas echt, en wat een vrolijke tijd brak intussen aan in Parijs! In de Tuilerieën werd een luchtballon met de Olympische vlam opgelaten en plotseling was alle politieke onrust en ontevredenheid vergeten, de angst voor een onbestuurbaar land, voor terroristische aanslagen; ineens was het alle dagen feest – zie je nu wel, dacht ik opnieuw, je weet niks, misschien wordt morgen alles anders.
De voorheen oneindig sombere, zwaarmoedige toon in de media veranderde in een wekenlange jubelzang, het refrein van ‘Crise, crise, crise!’ liep naadloos over in een juichend ‘Vive la France’! Na een weergaloze openingsceremonie, waarbij gelukkig de regen de gewone mens eraan herinnerde dat zelfs die avond perfectie onhaalbaar was, verdwenen zorgen en chagrijn achter de horizon en bevonden we ons in een nationale safe space, de geschiedenis ging op pauze, we leefden, zoals ik overal las en hoorde, entre parenthèses, tussen haakjes.
Natuurlijk was ik aanvankelijk sceptisch, maar de blijdschap van mijn zoon, terwijl hij de wedstrijden volgde op tv of met ons de Olympische overwinningen naspeelde in le Stade (een grasveld met pingpongtafel aan de rand van het dorp), plus de aanhoudende confettiregen van superlatieven in de media, maakte dat mijn gebruikelijke gemopper over dit door het grootkapitaal gesponsorde geldverslindende festijn me uiteindelijk kinderachtig en versleten in de oren klonk, en ik langzaamaan tot een inzicht kwam; hier werd een prachtige truc uitgehaald, hier werd een fantastische illusie geschapen waarvan ik moest leren, waarmee ik in mijn eigen kleine leventje mijn voordeel moest doen: het enige wat nodig was om tot een met stil geluk gevulde, fijne vakantie te komen waren twee haakjes.
Ik moest doen zoals het land deed: om het heden twee parenthèses plaatsen, hoog als de Eiffeltoren, stevig als de muren van de Conciergerie, waardoor geen stem uit verleden of toekomst kon doordringen en waarbinnen enkel verwondering over de schoonheid van het huidige moment mocht bestaan.
Verblijd door dat inzicht planden mijn vriendin en ik een tweede vakantie. Een appartement in het noorden van de Cotentin, uitzicht op zee. Op de ochtend van vertrek werd het eerste haakje geplaatst. Alles wat daarvoor had bestaan, bestond niet meer. Het sluitingshaakje werd alvast gezet op de dag van de terugweg – om tevreden tussen haakjes te kunnen leven moet eerst wel even in de toekomst worden gereikt om dat tweede haakje een duidelijke plek te geven, anders werkt het niet, je moet weten wanneer het buitenhaakse bestaan weer een aanvang neemt (president Macron bijvoorbeeld bleef maar met het van de Spelen geleende sluitingshaakje schuiven om niet tot politieke beslissingen te hoeven komen, maar in die illusie geloofde niemand).
We reden vrolijk naar de kust. We deden ‘Ik ga op vakantie en ik neem mee’. We luisterden naar het gelijknamige liedje van VOF de Kunst. We speelden uiteraard ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet’ – een spel dat je eeuwig in het heden houdt. We arriveerden in het oude badplaatsje. We dronken een glas met vrienden die dezelfde avond al moesten vertrekken – er kwam gelukkig niets op tafel wat onze haakjes aan het wankelen bracht. Het appartement was in orde, de zee ruiste onder het raam, er volgden dagen van wandelingen door duinen die aan Holland deden denken, van kastelen bouwen van schijven leisteen, dagen van frites met garnalen. De horror vacui liet me met rust. Het voorbeeld van de Spelen leek zijn werk te hebben gedaan. Deze vakantie naderde, aanvankelijk, de perfectie. Goed, ik hield me niet helemaal aan de regels, zo las ik bijvoorbeeld ’s avonds The Emigrants van W.G. Sebald, over emigranten die niet aan hun verleden wisten te ontsnappen, wat nogal eens leidde tot zelfmoord; misschien wilde ik het lot niet tarten. Ik kon het tussen de haakjes zo nu en dan maar beter even laten regenen, om te voorkomen dat onverwacht een storm opstak.
Maar die storm, die kwam natuurlijk toch. Zo gaat dat. Een stormpje, in elk geval. Een telefoontje (ik belde mijn moeder, zij wilde het niet vertellen, ik vroeg naar haar plannen en toen kon ze niet meer doen alsof er niks was): ze wilde een wratje laten weghalen en daarnaast ontdekten ze een plaveiselcelcarcinoom. Huidkanker. Het plekje zou worden weggesneden, en als dat goed ging en de lymfeklieren waren schoon, dan was er verder geen reden tot zorg.
Geen reden tot zorg, herhaalde ik. En ik wilde dat best geloven – ik besloot dat te geloven. Ook geen reden, dus, vond ik, om de haakjesillusie te laten varen. La parenthèse enchantée… Zo’n mooie truc. Toch? Maar natuurlijk wist ik beter. Ik begreep best dat die onzin niet langer vol te houden was. Het was eigenlijk altijd al geklets geweest… Laat de pers maar lullen. In de hoofdstad stegen de misdaadcijfers alweer. De middenstand klaagde over tegenvallende inkomsten, demissionair premier Attal waarschuwde voor economisch zwaar weer, de vakantie was kortom bijna ten einde, la rentrée was in zicht. Ik schonk wijn in en trok me terug in The Emigrants. Daar was ik misschien gebleven als mijn lief niet had gezegd: ‘Kom, stop met somberen. We hebben nog een hele week aan zee, leg Sebald weg, ga mee naar buiten.’
Het werd een week van nog meer kastelen van leisteen, van nog meer frites met garnalen en pogingen zo nu en dan iets te eten wat zowel lekker was als gezond (dat is in de Franse horeca vaak zo gemakkelijk nog niet), het werd een week van een bezoek aan een planetarium waar de informatieve séance werd overstemd door babygehuil, een week van meer dan gebruikelijk zonnebrand smeren, van onverwachte poëzie toen op een kale, winderige kaap ik het eiland Jersey uit een zonbeschenen nevel zag opdoemen – daar hoorde ik een van Sebalds emigranten zeggen: ‘It makes me feel that I am a long way away, though I never quite know from where.’
De vakantie werd, kortom, toen ik ophield er iets van te verwachten, een doodnormale vakantie. Een goede vakantie. Een fijne vakantie. En nu mag het nieuwe schooljaar beginnen, met al zijn zorgen en gezeur; als we zo nu en dan een dag tussen haakjes kunnen plaatsen is dat mooi meegenomen, maar laten we verder gewoon maar weer wat aanrommelen – je weet niks, misschien wordt morgen alles anders.