De ondraaglijke onmiddellijkheid van het bestaan

Ferin

In de boekenbijlage van NRC schreef Bas Heijne vorige week over het begrip ‘onmiddellijkheid’, naar aanleiding van het essay Immediacy van Anna Kornbluh. Dat essay stelt volgens Heijne ‘dat “onmiddellijkheid” – het verlangen naar ongefilterde directheid en persoonlijke geldingsdrang – dominant is geworden in onze cultuur’.

De analyse lijkt me niet nieuw, maar het woord bevalt me. Het voorziet in de behoefte iets te duiden wat niet enkel in de kunst, op televisie en sociale media valt waar te nemen, maar ook in de straten van de grote steden. Neem Lissabon, een stad waar ik nu een jaar of tien met enige regelmaat kom omdat mijn geliefde er familie heeft. Op het eerste gezicht lijkt het oude centrum van de stad in die jaren niet veel veranderd: ik kan er net als tien jaar geleden genieten van de geschubde trottoirs, de geur van sardientjes gebakken op houtvuur, het schitteren van de Taag. En ik kan me er net als toen ergeren aan de overdaad aan luie tags op de muren, aan de zware urinegeur in de vroege ochtend.

Straatplassen en graffiti zijn vrij ouderwetse, onschuldige manifestaties van ‘onmiddellijkheid’. Het woord doet me vooral denken aan iets wat recenter is, en ingrijpender, een fundamentele verandering waar ik aanvankelijk zo gemakkelijk de vinger niet op wist te leggen; ja, er zijn veel meer toeristen dan vroeger en dat brengt lawaai en rotzooi met zich mee, en toch volstaat dat niet om het gemis te verklaren dat ik dit voorjaar in Lissabon zo sterk voelde, het gebrek aan iets – iets dat door de plotseling alom heersende onmiddellijkheid aan het zicht werd onttrokken: betekenis.

Met de komst van de toeristenhordes kwamen, uiteraard, steeds meer prullenwinkels, barretjes en terrassen. In het begin was dat nog wel gezellig, en niet slecht voor een stadscentrum dat voor een deel uit halve ruïnes bestond. De stad fleurde ervan op. Maar er kwam geen einde aan, élke straat werd een groot terras, elke winkel een prullenwinkel, elke oude bar een hippe bar. Ik zag het gebeuren, probeerde het niet al te verdrietig te vinden, dit gebeurde immers overal, er waren inmiddels al honderden studies over geschreven, zelfs een paar dikke romans. Het was een niet te stuiten ontwikkeling, en ik, die natuurlijk volgens mijzelf nauwelijks meer een toerist te noemen was, wist troost te vinden in nog stille straatjes, galeries, en boekwinkels waarvan het interieur sinds de jaren zeventig onveranderd was gebleven.

Dit jaar, in de lente van 2024, lukte me dat niet meer. Ik had de grootste moeite troost te vinden. Ik had dat nog kunnen toeschrijven aan vermoeidheid, een slecht humeur, of gewoon aan mijn pessimistische aard (altijd wat te zeuren), als niet mijn vriendin, over het algemeen toch een stuk vrolijker en optimistischer dan ik, mijn vage intuïtie deelde dat de stad op een onnadrukkelijke maar onherroepelijke manier was veranderd. Ook zij, die aan het begin van de eeuw jarenlang in Lissabon woonde, vond het moeilijk precies te duiden waarom, na alle transformaties die de stad in meer dan twintig jaar had ondergaan, het juist nu leek alsof er permanent iets was verschoven. We maakten de zoveelste wandeling en zeiden tegen elkaar: het is alsof we hier steeds maar wat ronddrijven, ronddobberen, wat is dat toch? Het was alsof het leven in de stad steeds ijler werd, minder grijpbaar, minder, nou ja, echt.

Nu zou ik misschien zeggen: de al jaren binnensijpelende onmiddellijkheid had uiteindelijk de hele stad overspoeld, en we raakten met onze tenen de bodem niet meer – wat was in godesnaam het fundament onder al dat winkelen en eten en drinken en selfies maken bij dat winkelen en eten en drinken? Ja, de zoektocht naar genot natuurlijk, en, minstens zo belangrijk, het delen van afbeeldingen van dat genieten om maatschappelijk succes te tonen, want niet iedereen had toegang tot het genoten genot… Het onderliggende verhaal was zo banaal als het kapitalisme zelf. Maar ineens viel me op – ik ben nu eenmaal een vrij trage geest – dat dit ten eerste volstrekt gemeengoed was geworden, afwijkend gedrag zag ik nauwelijks meer, en dat ten tweede niemand nog de moeite nam discreet te zijn in het genieten, en in het delen daarvan.

Verzin ik het of treuzelde men vroeger eerst een minuutje, of twintig seconden toch ten minste, voordat men voor een monument of uitzicht een selfie nam? Deden we niet eerst heel even alsof we de door God/de natuur/onze voorvaderen gegeven dingen eerden met onze aandacht? Die moeite neemt niemand meer. Men komt aanlopen, poseert, neemt onmiddellijk de foto, kijkt dan soms nog wat rond – meestal om het volgende punt te lokaliseren waar onmiddellijke bevrediging van een zintuigelijk of geestelijk verlangen wacht. Een kiosk voor een slok wijn om de dreigende verveling te verdrijven, een straatmuzikant voor een romantisch shot om anderen te tonen dat verveling in jouw woordenboek niet voorkomt. Een paar jaar geleden hoorde ik nog wel eens een straatmuzikant protesteren: ‘Vráág het in elk geval eerst even.’ Zoiets is tegenwoordig ondenkbaar, de artiest zou worden uitgelachen.

Voor dit gedrag lijkt vrijwel niemand zich nog te schamen – ik kan niet anders dan in dat gebrek aan schaamte de absolute overwinning van de onmiddellijkheid zien. (Wat buiten ons bestaat dient enkel om ons in ons bestaan te bevestigen.)

Tijdens een lunch bij een tante en oom van mijn vriendin kwam het gesprek op de politieke situatie in Portugal. De oom vertelde dat het steeds normaler werd om openlijk het einde van de dictatuur te betreuren. Het was de week voorafgaande aan de viering van de Anjerrevolutie van 25 april 1974, en veel Portugezen schaamden zich er niet langer voor de lof van dictator Salazar te zingen, aangemoedigd door de opkomst van radicaal-rechts, dat ook in Portugal bij de meest recente verkiezingen een grote overwinning behaalde. De oom, hoogleraar geschiedenis, leek werkelijk geschokt. Er waren altijd wel types geweest die de democratie bekritiseerden maar de gemiddelde Portugees verkoos vrijheid boven dictatuur, of begreep zelf ook wel dat zijn nostalgie een beetje dom was. Nu had internet de antidemocratische stemmen verenigd, en versterkt, want de onmiddellijkheid van sociale media tolereerde geen uitgebreide analyses van bijvoorbeeld de gemiddelde levensstandaard onder het bewind van Salazar.

Het was geen hoopvol, maar wel een echt gesprek, en dat deed me goed, na dagenlang te hebben geleden aan een onbestemd gevoel nergens grip op te krijgen – alle betekenis loste steeds weer onmiddellijk op in de wezenloze onmiddellijkheid waardoor ik werd omringd.

Een paar dagen later liep ik met mijn vriendin en zoon van de Chiado, deel van de bovenstad, door de Rua Nova do Almada naar de benedenstad toen ik, kriegel van de warmte en de drukkende aanwezigheid van veel te veel mensen, boekhandel Ferin wilde binnenstappen. Ik had er al naar uitgekeken: even de koelte in, rustig bekijken welke titels daar onder de booggewelven van het oude klooster op de tafels lagen, misschien zou ik er een nieuw boek vinden met verhalen over de stad waar ik me bevond; het beste antidotum tegen de onmiddellijkheid.

Ik liep bijna tegen de gesloten deur op. Ik had het karton achter het glas niet gezien, en het papier waarmee de ramen waren afgeplakt. Ik was er simpelweg van uitgegaan dat ik Livraria A. Ferin, geopend in 1840, ook dit jaar gewoon kon binnenwandelen. Maar nee. Ferin was, zo las ik later, eind 2023 failliet gegaan.