
Het aardige van emigreren is de voortdurende confrontatie met je eigen onwetendheid. Ook in het land van herkomst was je onwetend, maar daar viel het minder op.
In het begin zijn het de details. Je nieuwe landgenoten gebruiken voor de afwas liever een schuurspons dan een afwasborstel. Waarom? Het nieuwe land kent duizend kazen maar nauwelijks kaasschaven. Hoe dat zo? Een achteloze verwijzing naar een beroemde televisiepresentator/popzanger/actrice uit de jaren negentig gaat aan je voorbij; je vrienden schieten in de lach, en jij, de emigrant (voor hen de immigrant), lacht schaapachtig mee.
Voordeel: de emigrant leert al gauw nimmer meer zelfgenoegzaam te zijn.
De eerste jaren koestert hij nog de hoop razendsnel zo’n massa aan nieuwe kennis te vergaren dat hij de achterstand zal inlopen. Ha. Arme knul. Hij zal merken dat de achterstand enkel groter wordt, het is alsof hij achterwaarts een berg beklimt: met elke stap kan hij verder kijken en breidt het landschap van zijn onwetendheid zich uit.
Vraagt hij bijvoorbeeld aan zijn vriendin wie Jean-Luc Delarue is, dan diept ze in rap Frans een handvol associaties op die hem net zo weinig zeggen als Jean-Luc Delarue.
Zo maar weer even googelen, zucht hij.
Dit principe – toenemende kennis staat gelijk aan toenemend besef van onwetendheid – geldt uiteraard ook de nieuwe taal. Gaat de emigrant in een taalgebied wonen waar hij de taal niet of nauwelijks beheerst, dan zal eerst, nadat de aanvankelijke schroom is overwonnen, een periode aanbreken van onbezorgde, blije taalverwerving. (Plezierig zijn de bijbehorende geheugenspelletjes: een ‘gehucht’ bijvoorbeeld is een ‘hameau’; in gedachten legt hij tussen een paar huizen een plak ham in een plas water. Dat beeld vergeet hij nooit meer. Vertaal een woord in een ongerijmd, liefst aan Freudiaanse complexen appellerend beeld en het geheugen verheugt zich.)
Hij geniet ervan wanneer het hem voor het eerst lukt op straat een eenvoudig gesprek te voeren, wanneer voor de eerste keer in een restaurant de ober hem met zijn Frans complimenteert. En op een dag, wat een dag, beseft hij opgetogen na het lezen van een krantenartikel dat hij slechts eenmaal naar Google Translate heeft gegrepen. Hoera! Hij denkt bijna de top te hebben bereikt, en hij heeft gelijk… Maar eenmaal daar aangekomen ziet hij pas wat achter de berg ligt (sta me toe in deze aantekening wat scheutig te zijn met alpinistische metaforen, het zal iets te maken hebben met de adembenemende weidsheid van het onderwerp): bergen en nog eens bergen; toppen en nog eens toppen.
Hoe meer hij leest, des te ontoereikender zijn woordenschat. Arme, arme knul. Om nog maar niet te spreken over de honderden auteurs die zich blijken schuil te houden achter de paar Rousseaus, Flauberts, Camussen en Houellebecqjes die hij kende toen hij arriveerde.
Zijn vriendin stelt hem gerust: je spreekt beter Frans en hebt een grotere algemene kennis van dit land dan de buren.
Zijn vriendin is lief. Maar misschien is het ook wel waar: sinds de vorige top heeft hij in hoge vaart nog een tiental toppen beklommen, een prestatie die vooral aan zijn in het nieuwe land geboren zoon te danken is. Terwijl het kind leerde wat elk kind leert, leerde hij mee (fanatiek, misschien te fanatiek), opdat zijn onwetendheid met terugwerkende kracht zou eindigen bij de geboorte van zijn zoon – voortaan zal hij samen met zijn zoon opgroeien in dit land, dankzij hem vervaagt de grens tussen toen en nu, daar en hier, tussen afkomst en aankomst.
En toch – wanneer hij een praatje maakt met de buurvrouw verstaat hij maar de helft. De helft die uit Algemeen Beschaafd Frans bestaat. De rest is straattaal. Weer een berg te beklimmen. Het helpt niet dat de buurvrouw tussen haar woorden geen pauzes laat, alsof ze doodsbenauwd is niet gehoord te worden.
En toch – de man die de boodschappen komt bezorgen zegt, zoals elke bezorger/kassière/makelaar/notaris/arts (behalve als het een mens met een recente migratieachtergrond betreft), hij zegt tegen de emigrant (ook al gebruikt de emigrant de juiste woorden en zondigt hij geen enkele keer tegen de geboden van de Académie Française, zoals de autochtone bezorger zelf zojuist in twee zinnen al vier keer heeft gedaan), die man die zegt dus, met een minzaam glimlachje: ‘Ah, vous n’êtes pas d’ici… Hoor ik daar een petit accent? Waar komt u vandaan?’
Vous n’êtes pas d’ici… Meer dan tien jaren van ingespannen studie van taal en cultuur worden met dat ene zinnetje telkens weer triomfantelijk platgetrapt: aha, u bent niet van hier!
Maar het klopt, de emigrant is niet van hier, hij zal nooit van hier zijn. En hij moet niet klagen. Hij is een geprivilegieerde emigrant, hij vertrok uit vrije wil. Waarschijnlijk denkt hij daarom altijd over zichzelf als de Emigrant. (De Immigrant, dat is de ander.)
Zijn zoon, die is van hier. Die heeft het geluk zich wetend te wanen in zijn onwetendheid, zoals dat hoort, voor een kind, voor een inheemse bewoner. Vader de Emigrant moet berg na berg blijven beklimmen, en intussen niet vergeten te genieten van het uitzicht: kijk nou toch, wat prachtig, wat een land, dit land van mijn zoon.