
30 november 2023
Een donderdagochtend in Meudon, een gegoede banlieue ten zuiden van Parijs. We zijn hier voor de begrafenis van een oude vriend. Mijn geliefde haast zich naar een kerkje, er staan kerstbomen voor, met blauwe en witte ballen. De ballen roepen een onaangenaam beeld op… Ik weet het te verjagen. Ik neem mijn zoon bij de hand. Hij hoeft niet weer een uitvaart mee te maken. Wij blijven op deze mooie herfstdag buiten totdat het tijd is voor koffie en viennoiseries in een parochiezaaltje. We lopen omhoog, de heuvel op waartegen het oude Meudon ligt te slapen – ik denk aan Céline, die het geluk had hierboven na zijn veroordeling voor collaboratie zijn laatste jaren te mogen slijten. ‘De regen brengt me patiënten… dat gebeurt wel ‘s… niet vaak… een paar… die op weg naar boven naar het eigenlijke Meudon, halverwege bakzeilhalen,… o, alleen in de winter… ze doen er verkeerd aan… als ze in de zomer zouden komen, dan zouden ze van dit plekje genieten… een uniek uitzicht…’
Céline kon goed zeuren. Altijd verongelijkt, altijd slachtoffer. Na jaren van schofterig gedrag van dit uitzicht op Parijs te mogen genieten, zo prachtig, zelfs in de herfst… Kijk, zeg ik tegen mijn zoon: daar is de Eiffeltoren, en daar de toren van Jussieu, daar woonden pappa en mamma vlak naast toen jij er nog niet was. O ja, zegt mijn zoon, superleuk. Hij heeft het koud, hij wil alvast naar het parochiezaaltje. Chocolademelk. Chouquettes. Is het niet ook feest vandaag? We gaan toch straks na de begrafenis meteen door naar Nederland, voor Sinterklaas? Nederland is leuker dan Frankrijk, zegt hij, want daar heb je Sinterklaas en hier heb je steeds begrafenissen.
Een kerkklok luidt. Ik vermoed dat de kist met onze vriend naar de wagen wordt gedragen, de kerk uit, tussen de kerstbomen door met de blauwe en witte ballen. Ik denk aan Wilders (daar is dan toch het beeld), aan een foto waarop hij triomfantelijk zijn armen heft in een fractiekamer vol blauwe en witte ballonnen.
Terwijl ik uitkijk over Parijs en me onze gestorven vriend wil herinneren, zijn humor, zijn generositeit, nestelt Geert uit Venlo – altijd verongelijkt, altijd slachtoffer – zich opnieuw in mijn brein.
‘Kom,’ zeg ik tegen mijn zoon, ‘we gaan kijken of er al chocolademelk is.’
Hij rent voor me uit, ik werp nog een blik op het Seinedal. Ook de laatste bomen beginnen nu te kalen. Vorige herfst begroeven we niet ver van hier mijn schoonvader. Hij was literair criticus, schreef veel over de kwestie Céline. Het werk, vond hij, kon niet worden gescheiden van de man. Natuurlijk moest het gelezen worden, maar daarbij diende men niet te vergeten dat de man een antisemitische klootzak was. Dat te vergeten of verdoezelen zou de schrijver tekortdoen. Daarmee nam men de samenhang van leven en oeuvre niet serieus, en Céline wilde wel degelijk serieus genomen worden – net als Wilders, die uiteindelijk maar één ding verlangt: respect van de elite die hij zegt te haten. Maar terwijl de Franse schrijver bijna vijfenzestig jaar na zijn dood bij elke uitgave van nagelaten werk nog controverse oproept, wordt Wilders’ xenofobe, islamofobe politieke oeuvre bij leven en welzijn door een aanzienlijk deel van het Nederlandse electoraat probleemloos gescheiden van de joviale vent die hij tegenwoordig speelt. En zo wordt Geert dus nog steeds niet serieus genomen.
Verkleumd (mijn zoon) en vermoeid (ik) betreden we het zaaltje naast de kerk. Er zijn inderdaad soesjes, er is chocolademelk, niet veel later komt mijn geliefde binnen met de familie van onze vriend. ‘Vraag me niet hoe het gaat,’ zegt zijn vrouw. Ik omhels haar. Net wanneer ik denk even te mogen zijn waar ik ben, zonder gedachten aan mijn arme vaderland, duwt een vriendin me een opgevouwen pagina van Le Canard enchaîné in handen. ‘Heb ik voor je meegenomen,’ zegt ze.
In Nederland mag het buitenland momenteel bijna onzichtbaar zijn, in het buitenland is Nederland zichtbaarder dan ooit.
Ik vouw de pagina uit. Onder de goed getroffen karikatuur van een afgepeigerde, oude Geert lees ik: Le discours de Geert Wilders est soudain devenu plus modéré, mais le programme de son parti, qu’il a toujours défendu, est bien plus radical que celui du RN…
Wilders matigt zijn toon, maar zijn – door hem immer verdedigde – partijprogramma is radicaler dan dat van het Rassemblement National. De krant heeft het goed begrepen. Je kunt de man niet ineens scheiden van zijn levenswerk. En nu is het tijd om te vertrekken… Sinterklaas wacht… Ja, Nederland is een prachtland, mijn jongen…